De beroemde schrijver Kluun gaat regelmatig naar een feestje en dan wordt er ook wel eens ‘iemand’ gebeld. Dat zei hij in een interview, dus dan is het waar. Die ‘iemand’ is niet een totaal willekeurig persoon die Kluuns feestje op moet leuken, maar een dealer die wat drugs komt brengen. Waarmee Kluuns feestje natuurlijk ook leuker moet worden, maar je begrijpt wat ik bedoel.
Niks ten nadele van Kluun en zijn feestjes, more power to him, maar ik vroeg me toch af: wanneer ben je te oud voor dat soort dingen? Kluun is iets van begin vijftig, ik een beetje midden veertig, dus ik schaar ons voor het gemak tot dezelfde leeftijdscategorie. Die van de Middelbare Leeftijd. Die van nog lang niet dood, maar het frisse is er wel af. Ik dacht: wat mag je dan nog, zonder uitgelachen te worden door de frisse dertigers en vrijwel onrijpe twintigers?

Het zal niet meer dan een maand of twee later zijn geweest dat dezelfde gedachte weer boven kwam borrelen. Kluun had er niks mee te maken, dit keer, die zat vast lekker te zonnen op zijn woonark. Ik niet. Ik was met vrienden op een dancefestival in een Amsterdams park. Plots was hij daar, de gedachte. Precies tijdens een vrij belachelijke dansbeweging, die het midden hield tussen de Carlton-dans uit The Fresh Prince Of Bel-Air, de laatste stuiptrekkingen van een aangereden hert en het haar van Geert Wilders.
Uit het niets dacht ik: kan dit nog? Ik staakte het dansen en begon te peinzen. Ik ging er zelfs even speciaal voor zitten.
Kon dit nog. Als ik naar de leeftijd van het gros van de festivalbezoekers keek, vond ik eigenlijk van niet. Ze waren zo fris allemaal. Misschien niet geestelijk, vanwege diverse drugs en alcohol, maar dan toch lichamelijk. Dat lieten ze ook graag zien. Veel jongens hadden hun shirts uitgedaan, veel meisjes droegen niet veel meer dan een bh en van die kleine rokjes.
En daar stond ik dan tussen. Met mijn T-shirt en jeans en baard en mijn inmiddels niet meer zo witte sneakers. Een beetje tof te doen. Ja, zo voelde het: alsof ik een beetje tof wilde doen tussen de mensen die het daadwerkelijk waren. Opa uit z’n dak.

Ik voelde me ineens ook extra oud. Zo oud als brokkelkaas. Zo oud als het gezicht van Connie Palmen. En droevig, dat voelde ik me ook. Ik kreeg steeds meer het gevoel dat de fitgirls en -boys me venijnig aankeken. Dat ze dachten: rot op, ouwe, ga een boek van papier lezen. Ineens stond mijn vrouw voor me. Waar ik was en waarom ik hier zo zielig zat te zijn en of ik niet weer een gekke dansmove kon maken. Vond de rest zo leuk.
Ik vroeg haar of ze me oud vond en of dit – weids en licht theatraal gebaar met beide armen – nog wel kon.
Ze zei dat ik normaal moest doen. En dat ik drankjes moest halen.
Ik kon nog jaren mee, dat zei ze ook, en we gingen gewoon gek dansen en ik moest mijn mond houden. Zij was tien jaar jonger, sprak ze dwingend, dus ze had recht van spreken.

Ik dacht aan Kluun, lekker zonnend op zijn woonark. Zou hij ook zo slecht dansen als hij naar feestjes ging? Zou hij twijfelen? Zou hij zeuren? Zou hij denken: kan dit nog?
Ik besloot van niet.
Ik besloot dat dit nog kon.
Ik hield voor de zekerheid mijn T-shirt wel aan.

 

De column van Marcel Langedijk is te lezen in het nieuwste JFK Magazine. Nu in de winkel en ook online verkrijgbaar. Benieuwd naar de vorige column van Marcel? Die lees je hier.

Share with your friends










Submit
Share on Pinterest